Spreektechniek

Ik beschrijf elke week een aantal situaties. Hierbij beschrijf ik voor tijdens en na de situatie wat ik heb gedacht.
Deze gedachten kunnen ook gaan over het toepassen van spreektechnieken. Hieronder twee voobeelden

Dinsdag: een gesprekje begonnen over een mobiel

Voor: “Ik zag dat een collega dezelfde mobiel had en begon daar een gesprekje over. Ik heb tijdens het werk eigenlijk geen contact met die collega”.

Tijdens:” Er zat wel wat spanning om te beginnen. Toen ik begon, haperde ik wat. Ik stopte en probeerde het anders op te lossen. Ik dacht: “ je kunt het, het lukt wel”. Ik begon toen geleidelijk. De eerste paar woorden gingen goed. Opeens kwam er een twijfel en ik stopte toen vanzelf. Ik dacht na hoe ik de rest van de woorden zou gaan aanpakken. Ik maakte de woorden aan elkaar, want de spierspanning was nog wel hoog”.

Na: “Ik ga eraan werken om nog meer op het begin van de zin te letten en daar in dingen te verbeteren. Bij het verlengen van de woorden ga ik proberen om het langer vast te houden”.

Woensdag: langzamer praten bij een mindere dag

Voor: “Ik voelde elke keer spanning als ik wat op het werk wilde zeggen en kreeg controle verlies. Ik bleef bij elk woord hangen”.

Tijdens: “Als er controleverlies was, stopte ik en probeerde de klinkers te verlengen. Ik had er op het begin van de dag  nog wel moeite mee om dit vast te houden. Ik zocht steeds hoe ik het makkelijker voor mezelf kon maken en hoe meer ik praatte hoe meer vat ik er op kreeg”.

Na: ”Ik heb het goed opgelost. De volgende keer bij een minder moment heb ik daar baat bij en ben ik daar sterker van geworden”